Duurzaam leren voor Duurzame Ontwikkeling
Sinds een paar jaar maken de Verenigde Naties zich sterk voor leren voor duurzame ontwikkeling. De UNESCO heeft de jaren 2005 tot 2015 zelfs uitgeroepen tot “The Decade for Education for Sustainable Development”. Op het eerste gezicht is het verwonderlijk. Het gaat in leren en onderwijs toch per definitie om duurzame ontwikkeling? De duurzame ontwikkeling van kinderen en jeugdigen.
Maar er wordt iets anders bedoeld: de duurzame ontwikkeling van de maatschappij, de economie en de natuur (de aarde, het milieu). Het onderwijs zou leerlingen ‘duurzame’ gedragswijzen en gezindheden moeten bijbrengen, dat wil zeggen: “the values, behaviour and lifestyles required for a sustainable future”.
In Nederland is leren voor duurzame ontwikkeling in korte tijd populair geworden onder beleidsmakers en onderwijsontwikkelaars. Tekenend zijn de initiatieven en adviezen van CITO, SLO en SenterNovem. In de ons omringende landen doet zich een zelfde trend voor.
Het valt ons op dat de meningsvorming over en de praktijkvoorstellen voor leren voor duurzame ontwikkeling niet altijd even doordacht en verantwoord zijn. We bedoelen: niet altijd pedagogisch en didactisch doordacht en verantwoord. Al te vaak ligt de nadruk op het aanleren en aanwennen van leefwijzen en waarden, gedragspatronen en houdingen. Er is onzes inziens te weinig oog voor het belang van kennis en kritiek, preciezer: van het verwerven van kennis van zaken en het oefenen van kritisch oordeelsvermogen.
Gangbaar is de idee dat het vooral gaat om dingen als zuinig worden met energie en eerbied krijgen voor de natuur. Minstens zo belangrijk is volgens ons dat we kinderen en jeugdigen voorbereiden op een onzekere toekomst, een toekomst waarin ingewikkelde keuzen gemaakt moeten worden en lastige beslissingen genomen moeten worden. We weten niet wat de toekomst brengt en wat de omstandigheden zullen zijn, maar het ziet ernaar uit dat leven en samenleven er niet gemakkelijker en eenvoudiger op worden. Als deskundigen zich niet sterk vergissen, raken natuurlijke bronnen meer en meer uitgeput, wordt drinkbaar water schaarser en wordt de zeewaterspiegel alsmaar hoger, raken steeds meer mensen op drift verdreven door levensbedreigende tekorten, rampen en verhoudingen, groeien tegenstellingen tussen groepen en noem maar op.
Vanuit dit besef nu specifieke manieren van doen en denken bijbrengen doet onvoldoende recht aan de onvoorspelbaarheid van wat de nieuwe generatie te wachten staat. En aan het enige dat wel voorspelbaar is: de complexiteit van leven en samenleven later. Leef- en zienswijzen die hier en nu gunstig lijken, zijn mettertijd wellicht achterhaald. Het enige waarvan we zeker weten dat het bruikbaar zal zijn is een mix van op-de-hoogte-zijn (breed en diep geïnformeerd zijn) en lenigheid-van-geest (reflexiviteit, openheid), dus kennen en denken. Wil leren voor duurzame ontwikkeling zelf duurzaam zijn, dan moet het op z’n minst bevorderlijk zijn voor kennis en reflectie. Kinderen moeten op zo’n wijze groot gebracht worden dat zij later als volwassenen in staat zijn zaak-adequate en kritische oordelen te vellen in de ingewikkeldste kwesties.
Zo’n benadering van leren voor duurzame ontwikkeling past uitstekend bij de onderwijspedagogiek van het Daltonplan, die immers zelfverantwoordelijkheid hoog heeft. Zelfverantwoordelijkheid vergt op-de-hoogte-zijn en lenigheid-van-geest (vgl. Van der Ploeg: Opvoeding en onderwijs in de overlegdemocratie. 1995). We ontwikkelen een Daltonplan-eigen visie op leren voor duurzame ontwikkeling.

