Dode kikkers

Onder het lopen van Niezijl naar Niehove zie ik een dode kikker op het pad. Later nog een en dan weer een. Ze liggen midden op het smalle stenen pad, de kleine kadavers intact, als inderhaast verlaten voertuigjes. Jammer dat ik geen jongetje meer ben, dan had ik het morgen de juf op school verteld. Hoe zou ze hebben gereageerd?

Ik kan me een juf herinneren die me indringend zou aankijken en zeggen: "Wat zielig, Piet, een dode kikker." Even zou ze wachten zonder mijn ogen los te laten. En dan, een beetje treurig en troostend van toon: "Drie dode kikkers. En jij was helemaal alleen?"

Ik kan me ook een juf herinneren die geïnteresseerd zou vragen hoe ik wist dat het kikkers waren."Waren het geen dikke torren? Waar zag je dat aan?" Dan zou ze haar wenkbrauwen fronsen en vragen waarom ik dacht dat ze dood waren. "Hielden ze zich niet doodstil, door angst bevangen?"

Welke van de twee juffen is de beste onderwijzeres?

De eerste reageert zorgzaam, de tweede leerzaam. Dus is de tweede juf de beste onderwijzeres. Juffen moeten zorgzaam zijn, natuurlijk. Net als ouders en anderen rond kinderen. Maar zorgzaam zijn is geen onderscheidend kenmerk van onderwijzerschap. Wat onderwijzers onderscheidend kenmerkt, is dat ze ervoor zorgen dat kinderen leren. Goede meesters en juffen zijn zorgzaam en veel meer, maar hebben in de eerste plaats en in de laatste plaats zorg om het leren. Dat het kind leert, is het raison d’être van hun ambacht.

De docent is leerkracht. Maakt deze ouderwetse opvatting mij een partijganger van de vereniging Beter Onderwijs Nederland, de pressiegroep tegen onderwijsvernieuwing?

Nee. Het is niet toevallig dat de dode kikkers me bij mijn juffen brengen. Onder hetzelfde lopen tussen Niezijl en Niehove speelt de publieke discussie over "Het Nieuwe Leren" door mijn hoofd. Ik erger me aan het onvruchtbare gepolemiseer en gekarikaturaliseer. Juist las ik de zoveelste bijdrage: Help het onderwijs verzuipt van Ad Verbrugge, voorzitter van Beter Onderwijs Nederland, in de NRC (3 juni 2006; zie NRC.nl onder Opinie: http://www.nrc.nl/opinie/article346643.ece). Het stuk is schreeuwerig; het staat stijf van de ongenuanceerdheden, lukrake aantijgingen en onwaarschijnlijke speculaties over causale verbanden. Alles wat er misgaat in en rond het onderwijs en allerlei maatschappelijke problemen zijn zonder meer te danken aan "de onderwijsvernieuwingen". Onderwijsvernieuwers mochten willen dat ze zo veel impact hadden. Verbazing wekt het ook weer niet, want pleitbezorgers van onderwijsvernieuwing schrijven zelf vaak minstens zo zwartwit, verwijtend en speculatief.

Tekenend voor het geruzie zijn de absurde dichotomieën. Neem de uitdrukkelijke suggestie van Verbrugge dat goed onderwijs niet samengaat met zelfwerkzaamheid, individualisering en differentiatie noch met aansluiten bij de belevingswereld en de belangstellingswereld van de kinderen. "Dikke proat," zouden de Niezijlers en Niehovers zeggen.

Wat is er mis met aansluiten bij de belevingswereld en de belangstellingswereld van de kinderen? De school wordt toch leerzamer en hierdoor het onderwijs beter wanneer juf raad weet met verhalen en vragen van leerlingen? Wanneer ze de inbreng van kinderen benut als aanknopingspunt voor het wekken van interesse en nieuwsgierigheid, het bevorderen van nadenken en doorvragen en het uitdagen tot verkenning en onderzoek? Ook al komen de vragen en verhalen van buiten –of juist als ze van buiten komen?

Ik snap de zorg van Verbrugge natuurlijk wel: volgen we louter en alleen de beleving en de belangstelling van de kinderen of leren we ze alleen wat te ‘vertalen’ is in vragen en zaken die hun belevingswereld en belangstellingswereld raken, dan is het uitgesloten dat we alles kunnen overbrengen wat we aan kennis en vaardigheden belangrijk vinden. Klassiek pedagogisch antwoord op deze bedenking is tweeledig: onderwijs hoeft niet uitsluitend op de beleving en belangstelling van leerlingen af te gaan en, belangrijker nog, goed onderwijs tracht de belevings- en belangstellingswereld van de kinderen te verrijken, zodanig te verrijken dat geleidelijk aan steeds meer van wat we de kinderen willen overbrengen te ‘vertalen’ is in zaken en vragen die hun beleving en belangstelling raken. Om dit voor elkaar te krijgen zijn zelfwerkzaamheid, individualisering en differentiatie nodig. Niet overal en altijd, uiteraard, en niet radicaal en uitsluitend. Maar wel van tijd tot tijd, tot op zekere hoogte, gedoseerd. Het is ingewikkeld, ja. Didactiek is niet voor niks een kunst en onderwijzerschap is niet voor niks een ambacht.

De beste juf zou vragen of de jongen de volgende dag zo’n dode kikker kan meenemen. Dan kijken we samen in de klas of het inderdaad een kikker is. Wellicht is het een kleine pad. Intussen mogen de kinderen alvast uitzoeken wat het verschil is tussen padden en kikkers. En wie weet kunnen we erachter komen waardoor in de zomer kikkers of padden halverwege de oversteek van een stenen pad het leven laten.

Tekst in Pdf

Dode_Kikkers.pdf